Op vrijers voeten

Eerder al in zijn leven toonde Johannes duvels goed te weten wat hij wilde en handelde daar naar. Zo bezocht hij op een keer de komedie in Amsterdam. Dat deed ook de familie Van der Schaft. Die ging één keer per jaar de pot verteren van de inleg van hun kaartspelletjes. Dit jaar bezocht de familie ook die komedie. Eén van die potverteerders was Antje van der Hucht, die door omstandigheden min of meer bij de Van der Schaften inwonend was. Johannes, totaal overrompeld en ingepakt door de verschijning van dit meisje, wist hier niets van en informeerde links en rechts wie de familie was die bij hem in de loge zat. Zo diep was door de Amors pijlen geraakt dat hij zelfs trachtte , door achter het rijtuig van de familie Van der Schaft aan te rennen, te weten te komen waar zij woonde. Het rijtuig verdween echter door de Haarlemmer poort en Kerkhoven moest, amechtig of niet, zijn pogingen staken. Door navragen gelukte het hem te achterhalen dat het om de familie Van der Schaft ging waarvan de heer des huizes een bedrijf voor kantgarens runde in Haarlem. Om in contact met die heer te komen begon de verliefde Kerkhoven zowaar een eigen zaakje in kantgarens. Wat-ie ook verzon om verder tot de familie door te dringen; hij schopte het niet verder dan het kantoor! Enige tijd later vergezelde hij zijn broer tijdens een bezoek aan diens geliefde die bij een Haarlemse familie logeerde. Dat bleek – toeval- de familie v.d. Schaft te zijn. Daar ontmoette hij –groter toeval- het meisje uit de komedie en nu werd duidelijk dat zij geen Van der Schaft heette maar Van der Hucht. Om zeker te zijn van een vervolgontmoeting liet onze Johannes opzettelijk zijn wandelstok in de vestibule achter. Een perfecte aanleiding om “nog eens terug te kunnen komen”. Die truc lukte niet alleen maar was ook succesvol! Op 2 mei 1817 had het dubbelhuwelijk plaats van Doris en Johannes Kerkhoven met respectievelijk Henriëtte en Antje van de Hucht.

Johannes Kerkhoven moet geen gemakkelijk man zijn geweest, want op 3 juli 1859 na zijn dood, schreef zijn schoonzuster Clara Henriette Kerkhoven – van der Hucht aan haar zuster: (citaat) ’ … de dood van J. K. zal u zeker ook getroffen hebben, het gaf mij zo een vreemd gevoel hij heeft ons veel verdriet veroorzaakt, en aan de andere kant hebben wij veel vriendschap van hem genoten, in een woord het was een vreemd persoon, als alles nu eens geschikt is zal het voor kinderen die thuis waren, een groote rust zijn, daar hij na de dood van onze goede Antje, vreeslijk lastig en wrevelig was geweest, ik geloof zeker zijn geweten hem kwelde hij niet voor A. geweest wat hij had kunnen zijn en dat hij haar altijd op die boere wagen had laten zitten dat scheen hem nu te hinderen, had hij het nu maar goed gemaakt, met lief voor de meisjes te zijn, dikwijls dachten wij of hij ook verkindschte doch als men hem sprak, dan verzeker ik je was hij niet gek……” (einde citaat). Maar drie jaar eerder, op 2 augustus 1856, schreef Johannes Kerkhoven zelf aan die zuster (citaat)…..”alles zo koud en ledig; ik was sedert 40 jaren haar zoo lieve nabijheid en vriendelijke toespraak zoo gewoon, dat ik den geheele dag om haar gemis moet schreijen – het leven is mij geen leven meer – zij had mij sedert haar 21 jarige ouderdom toen ik met haar verenigd wierd zoo heel gelukkig gemaakt en nu moest ik toch zelve haar uit het huis verwijderen en naar het afgelegen koude graf brengen”. (einde citaat).

In 1859 stierf Johannes en de boedel moest verdeeld worden onder veertien kinderen. Een erfdeel bood geen van allen voldoende bestaansrecht. In 1860 werd Hunderen verkocht aan mr. Van Maanen, jurist uit Den Haag , waarmee de “Kerkhovenperiode” voor het Hunderen ten einde kwam.

woensdag 31 januari

Deel dit bericht